‘Transdisciplinair programma voor duurzaamheid werkt, maar is moeilijk te organiseren’ 

De chemie kan een belangrijke rol spelen bij het oplossen van complexe duurzaamheidsvraagstukken. Dan moeten chemici echter wel zodanig worden opgeleid dat ze in staat zijn een bijdrage te leveren in multidisciplinaire teams. De huidige opzet van chemische opleidingen in het hoger onderwijs is echter ongeschikt om studenten daarop voor te bereiden, stellen auteurs van de Universiteit Utrecht. In plaats van het huidige kennisgedreven onderwijs waarin docent en uitleg binnen chemieopleidingen centraal staan, opteren zijn voor een mix van transdisciplinair, challenge based onderwijs en design thinking

Transdisciplinair programma van Universiteit Utrecht 

Challenge Based Learning (CBL) is een onderwijsvorm waarin studenten samen met docenten en professionals aan de slag gaan met vraagstukken uit de praktijk. Daarbij is de uitkomst open, wat het toepassen en uitproberen van meerdere strategieën toelaat. Dat is ideaal om studenten duurzaamheidscompetenties aan te leren, aldus de auteurs. Design thinking is een methode waarin een probleem wordt onderzocht en een mogelijke oplossing wordt bedacht, die vervolgens steeds wordt getest, geëvalueerd en verbeterd. 

Hoewel een combinatie van Challenge Based Learning en design thinking voor de hand ligt, ontbreekt het aan bewijs voor de impact die deze combinatie op de leeruitkomsten van studenten heeft, schrijven de auteurs. Daarom namen ze het Da Vinci Project van de Universiteit Utrecht onder de loep, waar deze onderwijsvormen in transdisciplinair worden gecombineerd. Het onderzoek richt zich vooral op de vraag hoe deze onderwijscombinatie bijdraagt aan de vaardigheden en houdingen die studenten nodig hebben om duurzame veranderaars te zijn.  

Da Vinci Project 

Het Da Vinci Project is een universiteitsbreed honorsprogramma voor bachelorstudenten, geïnitieerd om chemiestudenten te laten kennismaken met de transdisciplinaire aard van duurzaamheidsvraagstukken die raken aan chemie. Het twintig weken durende programma vindt vanaf 2019 plaats, en heeft 113 deelnemers van dertig verschillende bacheloropleidingen gehad.  

In interdisciplinaire teams van vier tot zes studenten werken studenten samen met maatschappelijke partners aan het oplossen van een duurzaamheidsvraagstuk. Daarbij worden ze begeleid door een mentor, krijgen ze workshops over design thinking, ontvangen ze steeds feedback, en reflecteren ze wekelijks op zichzelf en het team waarin ze werken.  

Zo werkte een groepje aan de praktijkvraag hoe klanten kunnen worden gestimuleerd om overgebleven verf, waarvan opnieuw hoogwaardige verf kan worden gemaakt, terug te brengen naar de winkel, geven de auteurs als voorbeeld. Nu mag dat niet, omdat verf is geclassificeerd als chemisch afval en daarom op een speciale plek moet worden ingeleverd. Als oplossing ontwierpen de studenten een inname-machine die in winkels kan staan, wat de drempel voor inleveren verlaagt en ervoor zorgt dat winkelmedewerkers het ‘afval’ niet hoeven aan te raken. 

Waarde van werken aan praktijkvraagstukken 

Om zicht te krijgen op de leeruitkomsten van deelnemers, combineerden de onderzoekers een analyse van evaluatieformulieren van deelnemende studenten, semi-gestructureerde interviews met studenten, en interviews met mentoren en professionals. Die bleken betrekking te hebben op allerlei gebieden, bijvoorbeeld creativiteit, kritisch denken, communicatie, samenwerking, doorzettingsvermogen en empathie.  

De onderzoekers identificeerden vijf thema’s die uitleggen hoe studenten die leeruitkomsten ontwikkelden tijdens het project. Allereerst ervaren deelnemers de waarde van interdisciplinariteit, zowel om inzicht te krijgen in de waarde van hun eigen vakgebied als waardering te krijgen voor andere vakgebieden. De combinatie met design thinking leidde daarnaast tot kritischer, creatiever en oplossingsgerichter denken. Door de voorbereiding middels workshops over design thinking en de toepassing daarvan op echte praktijkvraagstukken, werd daarenboven het zelfvertrouwen van studenten gestimuleerd. 

Het werken met échte praktijkvraagstukken droeg ook bij aan de leeruitkomsten. “Studenten deden inzichten over het werkveld op die ze niet hadden opgedaan in een gesimuleerde omgeving”, aldus de auteurs. Door het werken aan echte vraagstukken werden ze zich bewust van de complexiteit van duurzaamheidsvraagstukken. Als laatste bleken terugkoppeling en reflectie belangrijk te zijn. Zo leerden sommige studenten bijvoorbeeld dat conflictvermijdend gedrag schadelijk kan zijn voor een teamprestatie, en dat het benoemen van frustraties de groepsdynamiek bevordert.  

Eveneens belangrijk is de vraag welke aspecten van het Da Vinci Project tot die leeruitkomsten leidden. Dat blijkt een fikse lijst te zijn, waaronder de reeds genoemde terugkoppeling, reflectie, interdisciplinaire samenwerking en het werken met echte praktijkvraagstukken vallen. Ook de workshops, begeleiding door een mentor, de betrokkenheid van andere belanghebbenden en het toepassen van design thinking waren belangrijk.  

Combinatie transdisciplinair en design thinking werkt 

De combinatie van transdisciplinair Challenge Based Learning met design thinking in het Da Vinci Project blijkt een adequaat pedagogisch kader te zijn voor de ontwikkeling van veel competenties die bij duurzame veranderaars horen, concluderen de onderzoekers. Tegelijkertijd is het niet alles goud dat daar blinkt.  

Zo kunnen de leeruitkomsten per student verschillen, is het programma te kort om alle competenties te behandelen, en zullen bachelorstudenten nog steeds niet genoeg zijn voorbereid op complexe duurzaamheidsvraagstukken als aandacht voor deze competenties in reguliere curricula blijft ontbreken, schrijven de auteurs.  

Daarnaast kunnen de competenties en de pedagogische principes (namelijk transdisciplinariteit, CBL en design thinking) wel op elkaar aansluiten, maar is het niet eenvoudig om ook de toetsing goed te laten aansluiten als het een interdisciplinaire groep van studenten uit verschillende studiejaren betreft.  

Studenten krijgen binnen het Da Vinci Project de mogelijkheid om persoonlijke leerdoelen na te streven. Dat maakt hen betrokken deelnemers, maar het is met traditionele methoden lastig om te beoordelen of ze daarin geslaagd zijn. Vooral beoordelen op procesniveau kan daarvoor een oplossing zijn, maar dat kan het niveau van de eindproducten weer in het geding brengen. Gebruik daarom, net als in het Da Vinci Project, een combinatie van product- en procesbeoordeling, raden de auteurs aan.  

Na vijf jaar nog geen structurele financiering 

Naast alle voordelen van dit soort onderwijs geldt eveneens dat het ontwerpen en implementeren ervan relatief veel tijd en geld kost. “De silo-structuur van universiteiten werpt veel drempels op voor het opzetten van interdisciplinaire programma’s”, schrijven de auteurs.  

“Daarnaast is het betrekken van niet-academische partners misschien gebruikelijk in onderzoek, maar niet in onderwijs. Er zijn meestal geen structurele middelen bestemd voor het betrekken van belanghebbenden bij het onderwijs. Daarom kostte het ons drie jaar om een pilot op te zetten, en is het programma na vijf jaar nog steeds afhankelijk van additionele financiering.”  

The post ‘Transdisciplinair programma voor duurzaamheid werkt, maar is moeilijk te organiseren’  first appeared on ScienceGuide.

Het bericht ‘Transdisciplinair programma voor duurzaamheid werkt, maar is moeilijk te organiseren’  verscheen eerst op ScienceGuide.