In een nieuwe studie, gepubliceerd in het tijdschrift Scientometrics, presenteren Janpieter van der Pol en Koen Frenken van het Copernicus Instituut voor Duurzame Ontwikkeling van de Universiteit Utrecht een statistisch raamwerk om de fragmentatie van een nationaal onderzoekssysteem te beoordelen. Het onderzoek richt zich op het Nederlandse systeem in de periode 2010–2022. De onderzoekers keken naar de effecten van onder meer de Nationale Wetenschapsagenda, het topsectorenbeleid en andere initiatieven die bedoeld waren om de integratie binnen het Nederlandse onderzoekssysteem te bevorderen.
Steeds meer nieuwe instellingen
In de Europese context nemen klassieke universiteiten een centrale positie in binnen de meeste nationale onderzoekssystemen, schrijven de auteurs in hun inleiding. Naast universitair onderzoek zijn er in de loop der tijd echter diverse andere organisaties opgericht die wetenschappelijk onderzoek uitvoeren, zoals nationale onderzoeksinstituten, academies van wetenschappen, technische universiteiten, hogescholen en universitair medische centra.
De institutionele fragmentatie van wetenschappelijk onderzoek over deze verschillende soorten organisaties wordt de laatste decennia steeds vaker als onwenselijk beschouwd. Beperkte samenwerking, niet op elkaar afgestemde onderzoeksagenda’s en de noodzaak om grootschalige infrastructuren te delen, hebben verschillende overheden ertoe aangezet hervormingen in nationale onderzoekssystemen door te voeren.
Ook elders in Europa roep om meer samenwerking
Dit probleem is niet uniek voor Nederland; in het Verenigd Koninkrijk werden bijvoorbeeld de hogescholen (‘universities of applied sciences’) door een grote hervorming integraal onderdeel van het universitaire systeem voor onderzoek en doctoraatsopleidingen. In Frankrijk werden juist de traditioneel sterke nationale instituten gestimuleerd om meer samen te werken met lokale universiteiten.
Nederland kent, naast de publiek bekostigde veertien universiteiten (tien klassieke en vier technische), acht universitair medisch centra en tal van hogescholen, ook 25 publieke onderzoeksorganisaties (PRO’s) die worden gefinancierd door de KNAW of NWO
Methode van onderzoek
In het onderzoek van Van der Pol en Frenken wordt de integratie van het Nederlandse onderzoekssysteem geanalyseerd via een opbouwende methode. Dat wil zeggen dat ze eerst de samenwerking tussen alle mogelijke paren van onderzoeksorganisaties onderzochten en deze vergeleken deze met verwachtingen op basis van grootte en onderlinge afstand. Daarna werden deze resultaten gegroepeerd per organisatietype (zoals klassieke universiteiten, technische universiteiten en hogescholen).
De geanalyseerde gegevens bestrijken de periode 2010 tot 2022, waarbinnen ook een periode van grote hervormingen valt die in 2014 begon. Door deze gegevens te combineren met een netwerkanalyse, ontstaat een gedetailleerd beeld van de ontwikkeling van het gehele onderzoekssysteem, aldus de Utrechtse onderzoekers.
Hervorming van 2014: meer impact en samenwerking
De hervorming van het Nederlandse onderzoekslandschap werd in 2014 geïnitieerd met de ‘Wetenschapsvisie 2025: Keuzes voor de Toekomst’. Deze wetenschapsvisie beoogde een verdere versterking van het praktijkgerichte onderzoek aan hogescholen en introduceerde een nieuw onderzoeksevaluatieprotocol met meer nadruk op maatschappelijke impact en strengere evaluaties van KNAW- en NWO-instituten. Ook omvatte het plan een vereiste voor deze instituten om beter ingebed te raken in het nationale onderzoekslandschap.
Middelen voor grootschalige onderzoeksfaciliteiten zouden daarnaast strategischer worden toegewezen, en er werd een probleemgerichte ‘Nationale Wetenschapsagenda’ opgesteld. Die moest de samenwerking tussen alle organisaties in het onderzoeksveld en maatschappelijke belanghebbenden bevorderen.
Het beleid voor hogescholen is bijzonder effectief gebleken
De hervorming om de positie van hogescholen in diverse financieringsregelingen te versterken lijkt effect te hebben gehad, luidt de belangrijskte bevinding van het Utrechtse onderzoek. Naast een spectaculaire stijging van de productieoutput van de hogescholen in slechts twaalf jaar tijd, zijn ze ook veel systematischer gaan samenwerken met alle andere organisatietypen in het Nederlandse onderzoekssysteem.
De samenwerking tussen klassieke universiteiten en technische universiteiten laat daarentegen een duidelijke neerwaartse trend zien in vergelijking met de verwachtingen op basis van hun respectieve omvang en afstand. Het onderzoek aan de technische universiteiten lijkt dus steeds verder los te komen staan van het onderzoek aan de klassieke universiteiten.
Nieuwe universitaire allianties leveren niet
Ook blijkt dat de verschillende nieuwe allianties die de afgelopen jaren zijn ontstaan weinig effectief te zijn in hun doelstellingen. Zo is er de 4TU Alliantie (TU Delft, TU Eindhoven, UTwente, WUR), de Utrecht-Eindhoven-Wageningen Alliantie, de Leiden-Delft-Erasmus Alliantie, en de Amsterdam Academic Alliance (VU en UvA).
Deze samenwerkingsverbanden hadden ambitieuze doelstellingen, variërend van het bereiken van schaalvoordelen en het aanbieden van gezamenlijke PhD-programma’s tot het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen door verschillende disciplines bijeen te brengen. Geografische nabijheid speelde bij alle allianties een belangrijke rol.
Opmerkelijk genoeg hebben deze allianties niet hebben geleid tot meer onderzoekssamenwerking dan reeds te verwachten viel op basis van alleen de omvang en geografische nabijheid van de instellingen, toont het onderzoek van Van der Pol en Frenken. Uit de analyse van co-publicaties blijkt dat de gemiddelde samenwerkingsintensiteit tussen alliantiepartners jarenlang dicht bij de verwachte waarden is gebleven, zonder een duidelijke opwaartse trend die zou wijzen op een versterkend effect van de alliantiestructuren.
Geen duidelijke opwaartse trend bij NWO en KNAW
Wat betreft de NWO en KNAW-instituten laten de Utrechtse onderzoekers zien dat er geen duidelijke opwaartse trend van integratie in het brede onderzoekssysteem waarneembaar is. De gemiddelde waarden liggen al vele jaren dicht bij nul en er is geen waarneembare opwaartse trend, wat erop wijst dat de verschillende bottom-up allianties niet hebben geleid tot een hogere samenwerkingsintensiteit dan op grond van hun respectieve omvang en afstand verwacht kon worden.
Wel zien alle typen organisaties zien hun clustering toenemen, behalve hogescholen. Dit suggereert dat onderzoekssamenwerking minder willekeurig en meer gefocust is geworden in clusters van organisaties, terwijl de hogescholen in plaats daarvan hun samenwerking hebben verbreed, schrijven de onderzoekers.
Stagnatie bij KNAW en NWO was niet beoogd
Het feit dat KNAW en NWO-instituten in de loop van de tijd meer geclusterd raken, is niet consistent met het overheidsbeleid rond deze instituten. Integendeel, de nationale overheid bekritiseerde NWO en de KNAW juist omdat ze te selectief waren in hun samenwerking binnen het onderzoekssysteem, schrijven de auteurs, en er werd bij deze instituten op aangedrongen om breder verbonden te raken. De resultaten over clustering suggereren echter dat dit de afgelopen jaren niet is gebeurd.
De bevindingen laten zien dat het integratieproces veelkleurig en traag is, wat het beperkte vermogen van de overheid blootlegt om onderzoekssystemen top-down te sturen, concluderen de Utrechtse onderzoekers.
– Ze benadrukken wel dat ze expliciet hebben gekeken naar samenwerkingsprestaties, oftewel de mate waarin universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstituten gezamenlijk publiceren. Wat ze echter nadrukkelijk níet hebben gemeten is de kwaliteit, impact of excellentie van het onderzoek zelf. Het feit dat organisaties meer of minder samenwerken dan verwacht zegt niets over de kwaliteit of invloed van het onderzoek dat uit die samenwerking voortkomt, schrijven de auteurs.
The post Hbo integreert spectaculair in kennissector, universitaire allianties sorteren weinig effect first appeared on ScienceGuide.
Het bericht Hbo integreert spectaculair in kennissector, universitaire allianties sorteren weinig effect verscheen eerst op ScienceGuide.